FISCALE
COLUMN

30 april 2003

 

De vier pijlers van het pensioenopbouw

Een pensioen dient om de financiering van de oude dag veilig te stellen. De zorg over de financiering van het pensioenstelsel groeit met de voortschrijdende vergrijzing. Steeds minder werkenden moeten het geld verdienen voor een steeds grotere groep ouderen. Dit geldt in het bijzonder voor de AOW, die via het zogenaamde omslagstelsel wordt gefinancierd. Er wordt voor de AOW in principe niet gespaard. In verband met de vergrijzing wordt door diverse instanties nu al openlijk gefilosofeerd over verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Vooral de tendens om al ruim voor de 65ste verjaardag met pensioen te gaan of een goed heenkomen te zoeken in de WAO moet het ontgelden.

Het pensioenbouwwerk kent een viertal pijlers. De eerste is de AOW, die een basisvoorziening biedt. De tweede pijler is het pensioen dat men via de werkgever opbouwt. De derde pijler wordt gevormd door lijfrentevoorzieningen. Een lijfrente is een particulier pensioen dat men zelf via een verzekeraar regelt. Valt men buiten een pensioenregeling, zoals geldt voor veel ondernemers, dan is het belang van lijfrentevoorzieningen des te groter. Als vierde pijler kan gewezen worden op spaargeld en beleggingen. Tot de beleggingen kan eventueel ook de overwaarde van de woning worden gerekend.

Pensioen is een forse kostenpost voor werkgevers. Zij moeten hiervoor premies betalen aan het pensioenfonds of de verzekeraar. Dit is de reden waarom ondernemingen veelal niet tot het uiterste gaan van wat door de fiscus wordt toegestaan. Dit leidt ertoe dat de werknemers doorgaans niet een optimaal pensioen opbouwen. De werknemers die daarvoor nu een financiële opoffering willen getroosten, kunnen een fiscaal aftrekbare premie betalen voor een lijfrente.

Onder fiscale begeleiding van het pensioenbouwwerk wordt verstaan dat de premies ten laste van het fiscale inkomen komen. Dit uitgangspunt geldt voor de eerste drie pijlers (zie hiervoor). De keerzijde van de fiscale aftrek is dat de pensioenuitkeringen volledig aan belastingheffing onderworpen zijn. Deze systematiek brengt met zich mee dat de belastingheffing langdurig wordt uitgesteld. Dit is de reden waarom er in de belastingwet aan de hoogte van aftrekbare pensioen- en lijfrentepremies beperkingen zijn gesteld. De fiscus wil wel helpen bij het opbouwen van oudedagsvoorzieningen maar niet teveel. Verder wil de fiscus zijn claim op de uitkeringen veiligstellen, hetgeen zich onder meer uit in ingewikkelde regelingen bij emigratie.

Natuurlijk kan men ter financiering van de oude dag ook z'n spaar- en/of beleggingskapitaal opeten. Fiscaal is dat echter meestal niet de gunstigste route, omdat deze gelden moeten worden opgebouwd ten laste van inkomen waarover eerst belasting moet worden betaald. Over vermogen betaalt men dan ook nog eens jaarlijks 1,2% vermogensrendementsheffing. Het opeten van het desbetreffende vermogen zelf is belastingvrij. Tot slot merk ik op dat de pensioenverantwoordelijkheid steeds meer naar het individu verschuift.

Peer van Bakel

Hoewel bij de totstandkoming van informatie de grootste zorgvuldigheid wordt betracht, kunnen wij geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele onjuistheden of onvolkomenheden.