De vier pijlers van het
pensioenopbouw
Een pensioen dient om de
financiering van de oude dag veilig te stellen. De zorg over
de financiering van het pensioenstelsel groeit met de voortschrijdende
vergrijzing. Steeds minder werkenden moeten het geld verdienen
voor een steeds grotere groep ouderen. Dit geldt in het bijzonder
voor de AOW, die via het zogenaamde omslagstelsel wordt gefinancierd.
Er wordt voor de AOW in principe niet gespaard. In verband met
de vergrijzing wordt door diverse instanties nu al openlijk gefilosofeerd
over verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Vooral de
tendens om al ruim voor de 65ste verjaardag met pensioen te gaan
of een goed heenkomen te zoeken in de WAO moet het ontgelden.
Het
pensioenbouwwerk kent een viertal pijlers. De eerste is de AOW,
die een basisvoorziening biedt. De tweede pijler is het pensioen
dat men via de werkgever opbouwt. De derde pijler wordt gevormd
door lijfrentevoorzieningen. Een lijfrente is een particulier
pensioen dat men zelf via een verzekeraar regelt. Valt men buiten
een pensioenregeling, zoals geldt voor veel ondernemers, dan
is het belang van lijfrentevoorzieningen des te groter. Als vierde
pijler kan gewezen worden op spaargeld en beleggingen. Tot de
beleggingen kan eventueel ook de overwaarde van de woning worden
gerekend.
Pensioen is een forse kostenpost
voor werkgevers. Zij moeten hiervoor premies betalen aan het
pensioenfonds of de verzekeraar. Dit is de reden waarom ondernemingen
veelal niet tot het uiterste gaan van wat door de fiscus wordt
toegestaan. Dit leidt ertoe dat de werknemers doorgaans niet
een optimaal pensioen opbouwen. De werknemers die daarvoor nu
een financiële opoffering willen getroosten, kunnen een
fiscaal aftrekbare premie betalen voor een lijfrente.

Onder fiscale begeleiding van het
pensioenbouwwerk wordt verstaan dat de premies ten laste van
het fiscale inkomen komen. Dit uitgangspunt geldt voor de eerste
drie pijlers (zie hiervoor). De keerzijde van de fiscale aftrek
is dat de pensioenuitkeringen volledig aan belastingheffing onderworpen
zijn. Deze systematiek brengt met zich mee dat de belastingheffing
langdurig wordt uitgesteld. Dit is de reden waarom er in de belastingwet
aan de hoogte van aftrekbare pensioen- en lijfrentepremies beperkingen
zijn gesteld. De fiscus wil wel helpen bij het opbouwen van oudedagsvoorzieningen
maar niet teveel. Verder wil de fiscus zijn claim op de uitkeringen
veiligstellen, hetgeen zich onder meer uit in ingewikkelde regelingen
bij emigratie.
Natuurlijk kan men ter
financiering van de oude dag ook z'n spaar- en/of beleggingskapitaal
opeten. Fiscaal is dat echter meestal niet de gunstigste route,
omdat deze gelden moeten worden opgebouwd ten laste van inkomen
waarover eerst belasting moet worden betaald. Over vermogen betaalt
men dan ook nog eens jaarlijks 1,2% vermogensrendementsheffing.
Het opeten van het desbetreffende vermogen zelf is belastingvrij.
Tot slot merk ik op dat de pensioenverantwoordelijkheid steeds
meer naar het individu verschuift.
Peer van
Bakel