Nieuw erfrecht en vermogensrendementsheffing
Op 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht
in werking getreden. Het uitgangspunt is dat alles naar de langstlevende
ouder gaat, terwijl de kinderen slechts een vordering erven.
Deze vordering is samen met de rente daarop in principe pas opeisbaar
bij het overlijden van de langstlevende ouder. De kinderen erven
slechts op papier.
Bij testament
kan men het overigens anders regelen, bijvoorbeeld dat de langstlevende
vruchtgebruik van het vermogen verkrijgt en de kinderen het bloot
eigendom. Stel dat een ondernemer wil dat de onderneming naar
de oudste zoon gaat en niet naar de echtgenote en de twee dochters.
In dat geval is het handig een testament te maken, waarin de
zoon als verkrijger van de onderneming wordt aangewezen. In zo'n
geval is de kans groot dat de zoon wordt overbedeeld ten opzichte
van moeder (die ook erfgenaam is) en de twee dochters. Om dit
te voorkomen, moet de zoon een zogenaamde overbedelingsschuld
op zich nemen jegens de mede-erfgenamen.
In de inkomstenbelasting kennen we sinds
1 januari 2001 de vermogensrendementsheffing. Men betaalt 1,2
procent over z'n vermogen. Het ligt voor de hand te veronderstellen
dat de vordering die de kinderen op de langstlevende ouder verkrijgen
meetelt voor hun vermogensrendementsheffing. Deze maakt immers
deel uit van hun vermogen. Dat zou echter hoogst onpraktisch
zijn, omdat de kinderen geen rente ontvangen. Een dergelijke
vordering blijft buiten beschouwing voor de vermogensrendementsheffing.
Hetzelfde geldt overigens voor de daarmee corresponderende schuld
van de langstlevende ouder. Dit heet "defiscalisering".
Defiscalisering treedt echter alleen op als inderdaad alles naar
de langstlevende gaat. Dus niet als bijvoorbeeld de onderneming
naar de oudste zoon gaat. En ook niet als het vruchtgebruik naar
de langstlevende gaat en het bloot eigendom naar de kinderen.

Ook in bovenstaand voorbeeld van de ondernemer
kan het zo zijn dat sommige erfgenamen alleen of deels een vordering
erven. Ook daar kan bepaald zijn dat de vordering samen met de
rente slechts opeisbaar is bij het overlijden van de langstlevende
ouder. Zoals gezegd, geldt hiervoor de defiscalisering niet.
Dit kan een praktisch probleem opleveren. Stel dat iemand op
papier ¤ 100.000 erft. Dan moet hij of zij in principe
¤ 1.200 vermogensrendementsheffing betalen. Dit moet dan
uit het inkomen of uit het overige vermogen gefinancierd worden.
Onder omstandigheden kan dit problematisch zijn.
Dergelijke problemen voorkomt men door
in het testament een speciale clausule op te nemen, waarin wordt
bepaald dat degene die het feitelijke vermogen onder zich heeft
-veelal zal dat de langstlevende ouder zijn- de vermogensrendementsheffing
van het kind moet voorschieten. Een dergelijke clausule is van
belang als er sprake is van een testament waarbij niet alles
naar de langstlevende gaat en een of meer erfgenamen alleen op
papier erven.
Peer van
Bakel