De fiscale positie van vrijwilligers.
De overheid voert op dit moment een campagne ter bevordering van vrijwilligerswerk. Vrijwilligers zijn onmisbaar voor het verenigingsleven. Ze worden ook steeds belangrijker voor allerlei sociale taken, zoals het helpen van zieken en ouderen. Het komt voor dat een vereniging aan haar vrijwilligers een vergoeding geeft voor gemaakte kosten, zoals reiskosten.
Soms hebben dergelijke kostenvergoedingen een algemeen karakter en wordt niet aangegeven waar ze specifiek betrekking op hebben. Normaliter levert dat fiscale problemen op. Kostenvergoedingen waarvan niet duidelijk is waar ze voor zijn, worden bij gewone werknemers als verkapt loon belast. Bij kostenvergoedingen voor vrijwilligers fungeert de kostenvergoeding in werkelijkheid soms als bescheiden vergoeding voor de geleverde inspanning.
Mits de kostenvergoeding niet een bepaald maximum te boven gaat, laat de fiscus deze voor vrijwilligers ongemoeid. Het maximum is € 21 per week en € 735 per jaar. Een hogere vergoeding is mogelijk als de vrijwilliger in werkelijkheid tot dat hogere bedrag kosten heeft gemaakt die naar maatschappelijke opvattingen voor vergoeding in aanmerking komen. Hiervoor gelden de normen van de loonbelasting. Zo komt kleding in principe niet voor vergoeding in aanmerking, alleen werkkleding.
Om te voorkomen dat verenigingen voor vrijwilligers een salarisadministratie moeten voeren, met alle kosten van dien, gaat de fiscus ermee akkoord dat de arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Hiervoor geldt wel als voorwaarde dat de vereniging uitbetaalde vergoeding die meer zijn de hiervoor vermelde maxima aan de fiscus doorgeeft.
Het is niet altijd op voorhand duidelijk of iemand een vrijwilliger is. Wat dacht u van “overblijfouders”? Dan hebben we het over ouders die ervoor zorgen dat kinderen van een basisschool tijdens de middagpauze op school worden opgevangen. Deze ouders krijgen vaak een bescheiden vergoeding. Daarover heeft het Ministerie van Financiën gezegd, dat de vrijwilligersregeling niet geldt als de vergoeding marktconform is. Als een overblijfouder bijvoorbeeld € 7,50 per uur krijgt, is sprake van een gewone dienstbetrekking. Een vergoeding van € 2,50 per keer is waarschijnlijk wel verenigbaar met de status van vrijwilliger. In de praktijk wordt er op dit gebied begrijpelijkerwijs heel wat afgerommeld. Van een systematische controle door de belastingdienst is geen sprake, zodat de risico's van naheffingen beperkt blijven. Maar dat neemt niet weg dat men toch moet proberen de regels zoveel mogelijk in acht te nemen.
Peer van
Bakel