Het pensioengebouw wankelt
Werknemers gaan steeds vroeger met pensioen. Weinigen werken nog tot de officiële pensioenleeftijd van 65 jaar. Dat kan te maken hebben met fysieke of psychische kwalen. Vaker gebeurt het dat de werknemer gebruik maakt van een VUT- of een vroegpensioenregeling. Dit veroorzaakt twee problemen die beide op het conto van de vergrijzing kunnen worden geschreven. Allereerst zullen er te weinig mensen zijn om het werk te doen. Ten tweede rijzen de kosten van pensioenregelingen de pan uit, waardoor Nederland zich uit de markt prijst. Een en ander moet namelijk door het bedrijfsleven worden opgebracht.
Het kabinet Balkenende II heeft in het regeerakkoord voorstellen gedaan om deze ontwikkeling te keren. De regering kan moeilijk verbieden om vroeg met pensioen te gaan. Wel kan zij het machtige wapen van de fiscaliteit hanteren. De premies voor VUT en pensioen zijn onbelast voor de werknemer. De heffing is verschoven naar de uitkeringen. Dit betekent dat de overheid lang moet wachten op haar belastingeuro's. Dit wordt ook wel “omkeerregel” genoemd.
Het uitgangspunt in de voorstellen is dat men op zijn 65ste met pensioen gaat. Wil men eerder het arbeidsproces verlaten, dan is de premie die nodig is voor de financiering van de jaren voor de 65ste belast. De omkeerregel blijft alleen gelden voor de premie die betrekking heeft op de financiering van het pensioen na de officiële pensioenleeftijd. Door deze wetswijziging wordt vroegpensioen financieel zeer onaantrekkelijk.
Het kabinet heeft getracht met de werkgeversorganisaties en vakbonden tot een vergelijk te komen. Dat is niet gelukt. Het is moeilijk om verworven rechten op te geven. Het verdelen van armoede is nu eenmaal een stuk moeilijk dan het verdelen van rijkdom.
Is er dan straks helemaal niets meer mogelijk om op een fiscaal vriendelijke manier eerdere pensionering te regelen? Jazeker, daarvoor zal de nieuwe “verlofspaarregeling” kunnen worden gebruikt. Dit is een tussen werkgever en werknemer af te spreken regeling op grond waarvan de werknemer een deel van z'n loon onbelast opzij kan zetten voor de financiering van toekomstig verlof voor onder meer zorg of studie. Deze regeling zal ook kunnen worden gebruikt om ongeveer twee jaar eerder met pensioen te gaan. Hetgeen de werknemer in het kader van de verlofspaarregeling heeft gespaard, kan hij gedurende die jaren laten uitkeren. De opgenomen bedragen zijn belastbaar met loon- en inkomstenbelasting. De meeste werknemers zullen echter er weinig voor voelen om huidig besteedbaar inkomen op te offeren voor vroegpensioen. Deze kwestie is zeker nog niet uitgekristalliseerd en we wachten met spanning de verdere ontwikkelingen af.
Peer van
Bakel