Personeelsopties niet meer zo
populair
Lees
artikel
|
Geschillen over fiscaal
ondernemerschap
Lees
artikel
|
Personeelsopties niet meer zo populair
De populariteit van
personeelsopties is afgenomen. Dat is niet zo vreemd, omdat de
aandelenkoersen niet meer zoveel stijgen als zij in het verleden wel
deden. Daarom gaan sommige ondernemingen ertoe over gratis aandelen
aan hun managers te geven. Over die gratis aandelen moet gewoon
belasting betaald worden op basis van de beurswaarde. De fiscale
behandeling van opties is met ingang van 2005
gewijzigd.
Vroeger was de hoofdregel dat de zogenaamde verwachtingswaarde
van de optie belast was. Vergelijk het maar met een lot in de
loterij. De waarde van het lot was belast, terwijl de eventuele
prijs onbelast kon worden geïncasseerd. Dat is natuurlijk plezierig
als je die prijs wint, maar als je geen prijs wint dan heb je
achteraf onterecht belasting betaald.
Met ingang van 1 januari 2005 wordt er ter zake van de toekenning
van een personeelsoptie geen belasting meer geheven. Als de optie
wordt uitgeoefend, vindt belastingheffing plaats over het voordelige
verschil tussen de uitoefenprijs van de optie en de werkelijke
waarde van de aandelen op dat moment. Zeg maar, belastingheffing
over het werkelijke voordeel. Geen voordeel, geen heffing.
Er geldt hiervoor overigens geen speciaal, gunstig
belastingtarief. Dat betekent dat de meeste topmanagers het
toptarief van 52 procent moeten aftikken. Nederland neemt daarin
internationaal een uitzonderingspositie in. De meeste landen hebben
fiscaal gunstige regelingen voor personeelsopties. Nederland dus
niet. De heffing over het voordeel dwingt de werknemer een deel van
zijn winst meteen te nemen. Anders zal hij de belasting immers niet
kunnen betalen. Uitgaande van een belastingtarief van rond de 50
procent, zal de werknemer de helft van de aandelen meteen moeten
verkopen.
Als hij de andere 50 procent van de aandelen houdt, moet hij die
aandelen natuurlijk wel financieren. Hij moet ze aanschaffen tegen
de gunstige koers van de optie (de uitoefenprijs). Als hij dat geld
niet op de plank heeft liggen, zal hij moeten lenen. Veel werknemers
zullen daarom bij de uitoefening van opties alle aandelen meteen
weer verkopen. Dat is jammer, omdat het aandelenbezit goed is voor
de binding met de onderneming. Dat kan de manager immers tot betere
prestaties aanzetten. Om die reden bieden sommige ondernemingen
financiering aan. Als de rente hiervoor lager ligt dan 5 procent,
moet over het verschil loonbelasting worden afgedragen. Echt
eenvoudiger is het er niet op geworden, maar toch wel eenvoudiger
dan in het verleden.
. . . terug naar
boven |
Geschillen over fiscaal ondernemerschap
Aan het ondernemerschap
zijn nogal wat fiscale voordelen verbonden. Zo komt een zelfstandige
in aanmerking voor zelfstandigenaftrek. Deze aftrek is hoger
naarmate de winst lager is. Bij lage winsten is deze aftrek meer dan
Euro 6.000,-. Van het hierdoor te genieten netto voordeel kun je bij
wijze van spreken op vakantie. Voor starters geldt nog een toeslag
van ongeveer Euro 2.000,-. Daarnaast mogen ondernemers 12 procent
van hun winst aftrekken in het kader van de zogenaamde
oudedagsreserve. De belastingheffing hierover wordt uitgesteld.
Startende ondernemers mogen “willekeurig afschrijven”. Dat betekent
dat zij bijvoorbeeld de inrichtingskosten van het kantoor in één
keer ten laste van de winst kunnen brengen. De regering heeft voor
de toekomst nog meer voordelen in petto.
Om oneigenlijk gebruik van deze fiscale voordelen te voorkomen,
is het “urencriterium” in de Wet inkomstenbelasting opgenomen.
Iemand moet per jaar ten minste 1225 uren aan zijn onderneming
besteden. Dat kunnen overigens ook voorbereidende handelingen zijn.
Daarnaast geldt de eis dat meer dan de helft van de werkzame tijd
voor de onderneming moet worden gewerkt. Maar deze laatste eis geldt
niet voor personen die minder dan vijf jaar als ondernemer actief
zijn.
Heeft u het plan om naast uw dienstbetrekking een zaakje te
beginnen om de genoemde voordelen te genieten, dan moet ik u
teleurstellen. De voordelen stuiten zeer waarschijnlijk af op het
“urencriterium”. Toch ontstaan hierover nogal eens geschillen tussen
belastingbetalers en fiscus. Daarbij gaat het onder meer om de vraag
welke activiteiten meetellen voor het urencriterium. Wat dacht u van
de uren dat een beginnend adviseur bij de telefoon wacht op klanten?
Volgens de belastingrechter tellen die uren niet mee. Het louter
beschikbaar zijn voor klanten is onvoldoende. Zo zou immers iedereen
aan het urencriterium kunnen voldoen. Wat dacht u van de tijd die
iemand besteedt aan het volgen van de cursus Algemene
Ondernemersvaardigen? Die tijd telt wel mee. De fiscus is kritisch
als de onderneming in feite niet van de grond komt. Als er duidelijk
een opgaande lijn in de omzet en winst zit, doet de fiscus meestal
niet moeilijk over de uren in de beginjaren. Een startende
ondernemer doet er verstandig aan zijn uren bij te houden. Zo kan
hij in discussies met de Belastingdienst beslagen ten ijs
komen.
... terug naar
boven
|
|
|
|
| |
Werkgevers moeten pensioenregelingen aanpassen
Alle pensioenregelingen
moeten vanaf 1 januari 2006 voldoen aan de fiscale kaders zoals deze
gelden na de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling
VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL). Het
uitgangspunt van deze wet is dat de werknemer pas op 65-jarige
leeftijd stopt met werken. Werkgevers die de pensioenregelingen per
1 januari 2006 nog niet hebben aangepast, vallen in 2006 onder een
nieuwe overgangsregeling. Zij moeten 52% eindheffing betalen over
het verschil tussen de premie die ze op dat moment betalen en de
premie die ze zouden betalen als ze de pensioenregeling hadden
aangepast. De nieuwe overgangsregeling moet nog door het parlement
worden goedgekeurd.
Alle werkgevers en
andere inhoudingsplichtigen ontvangen medio december 2005 een
formulier. Daarin vraagt de Belastingdienst een verklaring dat de
pensioenregelingen voor de werknemers op 1 januari 2006 voldoen aan
de fiscale kaders die in 2006 voor pensioenregelingen gelden. De
verklaring moet ook worden teruggestuurd als de pensioenregeling nog
niet is aangepast, maar de werkgever op grond van de nieuwe
overgangsregeling géén eindheffing hoeft af te dragen. Dat kan als
in 2006 niet méér premies worden betaald dan voor een aangepaste
pensioenregeling. Het formulier wordt niet teruggestuurd als één of
meer pensioenregelingen nog niet voldoet en de werkgever daardoor
eindheffing moet afdragen. De Belastingdienst zal in 2006 bij
werkgevers die geen verklaring hebben ingediend, controleren of ze
inderdaad deze eindheffing afdragen.
. . . lees verder op
Internet |
Vaststelling zorgpremie 2006
De standaardpremie voor
de nieuwe zorgverzekering, is voor 2006 vastgesteld op Euro 1.015,-
per jaar. Dit is bekend gemaakt door het ministerie van VWS.
Hierdoor betaalt iedereen Euro 1.015,- voor de basisverzekering.
Daarnaast is er een inkomensafhankelijke bijdrage (6,5%). Werkgevers
zijn verplicht om deze bijdrage geheel te vergoeden aan hun
werknemers. Net zoals dat nu het geval is, betaalt de werknemer
hierover loonbelasting. Voor ondernemers veranderen de kosten voor
het personeel nauwelijks. De inkomensafhankelijke bijdrage wordt
geheven over het inkomen tot ten hoogste Euro 30.000,-. Er mag een
aanvullende vergoeding worden betaald voor de ziektekosten. De
ondernemer is formeel volledig vrij om deze extra vergoeding aan een
individuele, of aan alle personeelsleden toe te kennen. Vaak gelden
echter afspraken uit CAO's. Voor de zelfstandige ondernemer is de
inkomensafhankelijke bijdrage vastgesteld op 4,4% tot ten hoogste
Euro 30.000,-.
. . . lees verder op
Internet |
PC-truc wordt aangepakt
Staatssecretaris Wijn
van Financiën laat de Belastingdienst trucs om de kosten van een pc
af te trekken onder het mom van een cursus of opleiding, scherp in
de gaten houden. De Belastingdienst zal optreden tegen constructies
die tegen de wet ingaan. Constructies waarbij in feite een pc wordt
gekocht en geen serieuze opleiding of cursus wordt gevolgd, vallen
niet onder de aftrekpost voor scholingsuitgaven.
Deze constructies
voldoen niet aan de voorwaarden voor de belastingaftrek van
scholingsuitgaven. Deze voorwaarden zijn namelijk als volgt:
- de opleiding of
studie moet een zakelijk doel hebben. Het moet gaan om een
serieuze cursus of opleiding waar de cursist naast geld ook veel
tijd in steekt. Bovendien moet de cursus of opleiding van belang
zijn voor de huidige of toekomstige functie van de
belastingplichtige. Opleidingen die als hobby worden gevolgd,
vallen er niet onder. Hetzelfde geldt voor cursussen met een
'algemeen' karakter of ten behoeve van een verbetering van de
persoonlijke uitrusting.
- de prijs van de
cursus of opleiding moet in verhouding tot het gebodene staan en
niet zijn bestemd voor andere zaken.
. . . lees verder op
Internet |
Boete voor onwillige werkgevers bij bestrijding illegale
arbeid
Werkgevers die de
Arbeidsinspectie geen informatie verschaffen over een mogelijk
illegale werknemer kunnen in de toekomst een boete krijgen van Euro
8.000,- per illegale werknemer. Die boete is even hoog als wanneer
een bedrijf daadwerkelijk een illegale werknemer in dienst zou
hebben. Van Hoof streeft ernaar de boete in de eerste helft van 2006
in te voeren. Van Hoof wil zo voorkomen dat werkgevers er voordeel
bij hebben als werknemers zich niet willen of kunnen legitimeren,
zodat moeilijker kan worden vastgesteld of ze illegaal zijn. In de
praktijk blijkt dat werkgevers op die manier proberen boetes te
ontlopen. De Arbeidsinspectie heeft er nu nog hulp van de politie
bij nodig om werknemers in die gevallen te dwingen om mee te
werken.
Van Hoof wil
onderzoeken of dit middel ook gebruikt kan worden bij de bestrijding
van ‘nep-zelfstandigen’. Sinds de toetreding van de Midden- en
Oost-Europese lidstaten tot de Europese Unie kunnen zelfstandige
eenpersoonsondernemingen in het kader van het vrij verkeer van
diensten zonder vergunning in Nederland aan de slag.
. . . lees verder op
Internet
|
|
| |
|