Overlijden en box 3

Lees artikel


 


Eigen risico ziektekosten

Lees artikel


Overlijden en box 3

Het is al meer gezegd, de greep van de fiscus houdt eigenlijk nooit op. Als iemand komt te overlijden, is hij er als de kippen bij. Wat te denken van het successierecht dat verschuldigd is over de erfenis. Dat wordt geheven op grond van het beginsel van bevoorrechte verkrijging. En dat terwijl het geld van de erfenis al fors is belast, met inkomstenbelasting en met vermogensheffing.

In box 3 zijn rare dingen aan de hand in het jaar van overlijden. Er is een praktisch onbegrijpelijke uitspraak van een gerechtshof over het toedelen van vermogensbestanddelen bij de fiscale partner in combinatie met het tijdsevenredig verlagen van het tarief. Dat zit als volgt. Als iemand komt te overlijden, wordt het vermogen in box 3 berekend als het gemiddelde per 1 januari en per overlijdensdatum. Vervolgens wordt het rendement tijdsevenredig in hele maanden verminderd, waarbij een gedeelte van een maand wordt verwaarloosd. Het rendement bedraagt over een heel jaar 4%. Komt iemand in januari te overlijden, dan is het rendement 0%, bij overlijden in februari 1/12 van 4%, dat is 0,33%, bij overlijden in april 1% enzovoorts. Had de overledene een fiscale partner, dan mag dat partnerschap worden uitgebreid naar een heel jaar (zelfs als het partnerschap geen zes maanden heeft geduurd) en moeten de vermogens van beiden bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden verdeeld over beide partners. Daarbij moet als peildatum 31 december worden genomen en wordt het rendement niet meer tijdsevenredig berekend, maar als de volle 4%. Zo dacht bijna de hele fiscale wereld erover, maar bij een zoektocht in de wet kon deze regel niet worden gevonden. Het hof in Leeuwarden dacht er dan ook anders over. De uitspraak is moeilijk te lezen en nog moeilijker te begrijpen, maar het komt er op neer dat je mag kiezen voor het hele jaar fiscaal partnerschap, het vermogen daarmee mag toerekenen aan wie je wil én voor de overledene toch het tijdsevenredige tarief mag rekenen. De verwachtingen zijn dat deze uitspraak door de Hoge Raad zal worden vernietigd en de advocaat-generaal heeft ook in die zin geadviseerd. Want dit klopt natuurlijk niet. Oorzaak van al deze problemen is uiteraard een volstrekt onduidelijke wetgeving. Het was echt niet zo moeilijk geweest om voor deze situatie een heldere wettekst te schrijven.

En dan nóg een overlijdenssituatie. Als iemand bijvoorbeeld in december overlijdt, wordt voor hem 11/12 van het tarief betaald. Dat komt er op neer dat er voor elf maanden vermogensrendementsheffing verschuldigd is. De erfgenamen moeten het vermogen in box 3 aangeven per 31 december. Dit houdt in dat zij over datzelfde vermogen nog eens zes maanden betalen in box 3. Dit vermogen behoort op 1 januari van het overlijdensjaar niet tot hun rendementsgrondslag en per 31 december wel, zij hoeven dus maar over de helft van dit vermogen te betalen, vandaar die zes maanden. In totaal wordt er dan dus over zeventien maanden betaald in box 3. Dat lijkt niet eerlijk en daarover heeft het Hof in Amsterdam zich dan ook moeten buigen. Er is inmiddels uitspraak gedaan en het beroep is afgewezen. Als iemand immers in januari overlijdt, wordt er volgens dezelfde redenering maar over zes maanden betaald, nul bij de erflater en zes bij de erfgenamen. Er is dus geen sprake van een onevenwichtige regelgeving.

. . . terug naar boven



Eigen risico ziektekosten

In de aangifte over het jaar 2005 moest bij de aftrek van ziektekosten nog rekening worden gehouden met het eigen risico in de buitengewone uitgaven. Wie in het ziekenfonds zat, betaalde een nominale premie. Werden er geen ziektekosten geclaimed bij het ziekenfonds, dan kreeg men een no-claim van euro 255 terug. Waren de geclaimde ziektekosten lager dan
euro 255, dan werd het verschil terugbetaald. Bij de aftrek van de buitengewone uitgaven mocht natuurlijk alleen de premie, verminderd met de no-claimteruggave in aftrek worden gebracht.

Vanaf 1 januari 2006 ligt dit allemaal heel anders. De wet zorgverzekering is per die datum ingevoerd. Iedereen is volgens die wet verzekerd en betaalt een basispremie. Die kan, afhankelijk van het gekozen pakket, worden aangevuld. Verder moet er een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald. Voor wie in loondienst is, wordt dat allemaal door de baas geregeld en die moet deze premies tevens vergoeden. Wie niet in loondienst is, moet deze inkomensafhankelijke bijdrage zelf aan de Belastingdienst betalen en krijgt daarvoor een aanslag. Wie weinig ziektekosten claimt, krijgt na afloop van het jaar een no-claimteruggave.

In verband met de invoering van dit nieuwe stelsel is ook de aftrekpost voor buitengewone uitgaven aangepast. Dat begint met de niet-aftrekbare drempel. Deze is omhoog gegaan naar 11,5% van het (bij partners het gezamenlijke) drempelinkomen. Het maximum van de niet-aftrekbare drempel is vervallen. De basispremie voor de zorgverzekeringswet is niet meer aftrekbaar, maar de niet-aftrekbare drempel wordt verlaagd met de basispremie (na aftrek van de zorgtoeslag). Bijzonderheid daarbij is, dat de drempel niet wordt verlaagd met de werkelijk betaalde basispremie (die verschilt per verzekeringsmaatschappij), maar met de gemiddelde basispremie, verminderd met de gemiddelde no-claimteruggave. Dit saldo is voor het jaar 2006 vastgesteld op euro 1015. Hoe hoog de werkelijke basispremie en de werkelijke no-claimteruggave is, doet daarbij dus niet ter zake.

De situatie zou er als volgt kunnen uitzien.
Iemand betaalt een basispremie van euro 980, een aanvullende premie van euro 210, en via de werkgever nog eens euro 1200 inkomensafhankelijke bijdrage. Na afloop van het jaar krijgt hij een no-claimteruggave van euro 120. Hij heeft per saldo dus maar (980 – 120) euro 860 basispremie betaald. Hij mag aftrekken: euro 210 aanvullende premie en euro 1200 inkomensafhankelijke bijdrage. De drempel bedraagt 11,5% van zijn drempelinkomen, verminderd met euro 1015 (en niet: verminderd met euro 860).

... terug naar boven

 

 

 

 


Fiscale prikkel voor indienstname stagiair

Werkgevers krijgen een belastingkorting van maximaal euro 1200 als zij scholieren uit het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) een stage aanbieden. Daarnaast krijgen werkgevers een extra korting van euro 1500 als zij jongeren in dienst hebben die werken volgens de zogeheten beroepsbegeleidende leerweg. Daarnaast kunnen werknemers vaardigheden die zij buiten school hebben opgedaan, omzetten in een diploma. Ook hiervoor geldt een belastingkorting.
Werkgevers die scholieren een kortdurende stage aanbieden, krijgen door de nieuwe maatregel een vermindering van de belastingafdracht van maximaal euro 1200 (voor een stage van een jaar) en minimaal euro 200 (voor een stage van twee maanden). Nu krijgen werkgevers geen vergoeding. Het gaat om scholieren op het niveau MBO-1 en -2. Deze groep scholieren heeft vaak problemen om een stageplaats te vinden. Voor werkgevers met werknemers die de beroepsbegeleidende leerweg volgen, gold al een belastingkorting van euro 1500. Met de nieuwe maatregel (waarmee tien miljoen euro is gemoeid) wordt deze korting op euro 3000 gebracht. De extra korting geldt ook voor werkgevers die een werknemer in dienst hebben die voorheen werkloos was en wordt opgeleid tot MBO-2 niveau.

. . . lees verder op Internet

. . . lees verder op Internet



Alles over vakantiewerk

Wilt u deze zomer vakantiekrachten aannemen? In dit artikel leest u onder andere informatie over:

  • werktijden: hoeveel mag een vakantiekracht werken en op welke tijden?
  • loon: hoeveel loon moet u minimaal betalen?
  • veilig werken: hoe oud moet een vakantiekracht zijn om bepaald werk te mogen doen?
  • ontslag: kunt u zomaar een vakantiekracht ontslaan?

. . . lees verder op Internet



Nieuwe regeling "diensten aan huis"

Particulieren die voor maximaal drie dagen per week een hulp nemen voor werk in en rondom het huis worden vrijgesteld van het afdragen van premies en loonbelasting. Het kabinet wil met de nieuwe ‘regeling dienstverlening aan huis’ de markt van persoonlijke dienstverlening stimuleren.
Onder de regeling vallen werkzaamheden die in en rondom de woning van een opdrachtgever plaatsvinden. Te denken valt aan hulp in de huishouding, tuinonderhoud, oppassen en verzorging van huisdieren. Voor huishoudhulpen geldt nu al de zogenoemde ‘huishoudhulpregeling’ waarbij de opdrachtgever geen premies en loonbelasting hoeft af te dragen als de hulp maximaal twee dagen per week werkt. Deze regeling wordt vervangen door de ruimere ‘regeling dienstverlening aan huis’. Veel mensen denken dat ze iemand zwart laten werken omdat ze niets opgeven bij de Belastingdienst. Dit is niet het geval omdat de opdrachtgever geen opgaveplicht heeft.
Doordat opdrachtgevers voor de ingeleende hulp geen premies betalen, zijn de werknemers goedkoper. Ook hebben opdrachtgevers geen administratieve rompslomp. De hulp mag voor meerdere opdrachtgevers werken zonder dat deze premies en loonbelasting moeten afdragen. Degene die de dienst verricht is wel gewoon inkomstenbelastingplichtig.

. . . lees verder op Internet



Verscherpte meldingsplicht bij nieuw personeel

Vanaf begin juli moeten werkgevers hun nieuwe personeel uiterlijk de dag vóór het begin van de werkzaamheden bij de Belastingdienst aanmelden. Met deze 'eerstedagsmelding' wil de overheid zwartwerken en illegale arbeid tegengaan.
Het kan voorkomen dat een werknemer wordt aangenomen en direct aan de slag gaat. De werknemer mag in dit geval pas beginnen met zijn werkzaamheden, nadat hij is aangemeld bij de Belastingdienst. De eerstedagsmelding kan op drie manieren worden gedaan: via de website van de Belastingdienst, met behulp van aangifte- of administratiesoftware of door een belastingconsulent. Het is dus belangrijk dat een nieuwe werknemer zijn persoonlijke gegevens al ruim voor het begin van de dienstbetrekking doorgeeft. Daarbij is het verstandig om de werknemer ook te vragen naar zijn identiteitsbewijs en de ingevulde loonbelastingverklaring. De werkgever beschikt dan op tijd over alle gegevens die nodig zijn voor de eerstedagsmelding en loonadministratie. Er hoeft geen eerstedagsmelding plaats te vinden als er uitzendkrachten via een uitzendbureau bij een werkgever komen werken.

. . . lees verder op Internet



Wetsvoorstel Personenvennootschappen

De Eerste Kamer behandelt een wetsvoorstel met nieuwe regels voor de zogeheten 'personenvennootschappen'. Het gaat hierbij om de maatschap, de vennootschap onder firma (V.O.F.) en de commanditaire vennootschap (C.V.). De geplande invoering was 1 januari 2006, maar dat wordt waarschijnlijk juli 2006 of nog later.
In het wetsvoorstel is geregeld dat de personenvennootschappen in hun huidige vorm vervallen. Hiervoor in de plaats komen:

  1. De niet-openbare vennootschap. Dit zijn samenwerkingsverbanden, die niet onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treden;
  2. De openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (OV);
  3. De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR).

Het huidige onderscheid tussen bedrijf (in een V.O.F. of C.V.) en beroep (in een maatschap) vervalt met deze nieuwe regeling. Wel komt er een duidelijk onderscheid tussen openbare vennootschappen en stille vennootschappen. Een belangrijk criterium voor openbaarheid is of er op een 'duidelijk kenbare wijze naar buiten wordt getreden'. Dit kan bijvoorbeeld door het voeren van een gemeenschappelijke handelsnaam.
Voor eenmanszaken en BV´s heeft deze wet geen consequenties en de huidige VOF´s en CV´s worden waarschijnlijk automatisch omgezet in openbare vennootschappen. Die omzetting zal met zo min mogelijk overlast voor ondernemers plaatsvinden.

. . . lees verder op Internet

 

 

 

 



Disclaimer

Hoewel bij het samenstellen van de inhoud van deze digitale nieuwsbrief de uiterste zorg is nagestreefd, sluiten de samenstellers van deze digitale nieuwsbrief iedere aansprakelijkheid uit voor onjuistheden, onvolledigheden en eventuele gevolgen van het handelen op grond van informatie die op via deze digitale nieuwsbrief beschikbaar is.