Schenking van onroerende zaken

Lees artikel


 


De stamrecht-BV

Lees artikel


Schenking van onroerende zaken

Bij schenking van onroerende zaken komt zowel overdrachtsbelasting als schenkingsrecht aan de orde. Voor beide is een schenking namelijk een belastbaar feit. Om dubbele heffing te voorkomen zijn er twee regelingen.

De eerste geldt bij schenking van het onroerende goed zelf. Daarbij geldt er een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Het schenkingsrecht is dan echter minimaal de overdrachtsbelasting die verschuldigd zou zijn als de vrijstelling niet zou gelden, dus minimaal 6% van de waarde in het economische verkeer.

De tweede regeling gaat over de materiële bevoordeling. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een huis tegen een te lage prijs wordt verkocht. Dan wordt er over de totale waarde overdrachtsbelasting geheven, maar een deel daarvan mag in mindering worden gebracht op het schenkingsrecht.

Voorbeeld
U verkoopt een huis met een waarde van euro 400.000 voor euro 300.000 aan uw dochter. Er wordt dan 6% over euro 400.000 = euro 24.000 overdrachtsbelasting geheven. Er wordt over euro 100.000 schenkingsrecht geheven. Op dit schenkingsrecht mag ¼ deel van de overdrachtsbelasting, dus euro 6.000, in mindering worden gebracht.

Deze redenering geldt ook als er sprake is van verkoop tegen een reële prijs gevolgd door kwijtschelding van de koopsom. Er wordt dan dus wel overdrachtsbelasting geheven, maar deze mag in mindering worden gebracht op het schenkingsrecht. Er moet echter wél duidelijk sprake zijn van een samenstel van rechtshandelingen. Als een gedeelte van de koopsom tegelijk met de verkoop wordt kwijtgescholden, is dat het geval en wordt een evenredig deel van de overdrachtsbelasting in mindering gebracht. Maar als een ander deel van de koopsom later wordt kwijtgescholden, is dat niet meer zo vanzelfsprekend. In het algemeen wordt aangenomen dat een kwijtschelding binnen twee weken na de overdracht van het onroerend goed nog wel aanleiding geeft tot vermindering.

De rechtbank in Haarlem heeft over deze materie kortgeleden een uitspraak gedaan. Het is niet voldoende, aldus de rechtbank, als in de overeenkomst staat dat de verkoper voornemens is om de rest ook kwijt te schelden. Het is dan immers niet zeker dat dat in werkelijkheid ook gebeurt. Voor het in mindering brengen van de hele overdrachtsbelasting is nodig dat in de overeenkomst staat wanneer precies de kwijtscheldingen plaatsvinden. Het is dan nog steeds niet zeker dat het restant van de overdrachtsbelasting in mindering gebracht kan worden, maar hoe sneller de kwijtschelding gebeurt, hoe beter het is. Het zou, om nog meer successie-/
schenkingsrecht te besparen, een idee zijn om dit te regelen tegen het einde van het jaar. U kunt dan een deel eind december kwijtschelden en een deel begin januari en wel binnen de veertien dagentermijn. Daarmee kan het tarief een aardig eind omlaag gebracht worden.

. . . terug naar boven



De stamrecht-BV

Werknemers die op straat komen te staan, krijgen doorgaans een bepaalde vergoeding. Afhankelijk van de hoogte ervan wordt deze uitkering ook wel “gouden handdruk” genoemd. Er is de laatste jaren gediscussieerd over ontslagvergoedingen. De vergoedingen zouden beperkt moeten worden en de vergoedingen zouden in mindering moeten komen op de WW-uitkering. Deze plannen zijn niet doorgegaan.

De regering heeft VUT-regelingen fiscaal zeer onaantrekkelijk gemaakt. Om te voorkomen dat werkgevers hun oudere werknemers laten afvloeien met een gouden handdruk, kijkt de fiscus kritisch naar ontslagregelingen. Het zou immers zo kunnen zijn dat sprake is van een verkapte VUT-regeling. Werkgevers stemmen dit bij voorkeur van te voren af met de Belastingdienst.

Fiscaal gezien is de ontslaguitkering een bijzondere vorm van loon. In het kader van de Wet op de loonbelasting valt al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten onder de heffing. Gezien de progressie van het belastingtarief betekent dit veelal dat op de ontslaguitkering het hoogste belastingtarief van 52% van toepassing is.

Het is mogelijk om met de werkgever overeen te komen dat de ontslaguitkering niet als bedrag ineens wordt uitgekeerd, maar in de vorm van een zogenaamde periodieke uitkering. Bijvoorbeeld een kwartaaluitkering gedurende tien jaar of vanaf de leeftijd van 65 jaar als aanvulling op het pensioen. De belastingheffing wordt dan verschoven naar de periodieke uitkeringen in de toekomst waardoor een lager tarief van toepassing is. De meeste werknemers geven er de voorkeur aan dat de werkgever de uitkeringsverplichting overdraagt aan een verzekeraar.

Bij bedragen vanaf euro 100.000 zou het aantrekkelijk kunnen zijn de ontslaguitkering onder te brengen in een zogenaamde stamrecht-BV. U richt een BV op die als verzekeraar de uitkeringsverplichting op zich neemt. Behalve de gouden handdruk zal er aandelenkapitaal van minimaal euro 18.000 moeten worden gestort. Het aardige van deze constructie is dat het geld op deze manier kan worden gebruikt voor de financiering van een op te starten onderneming. Mits goed geregeld, is dat fiscaal allemaal toegestaan.

... terug naar boven

 

 

 

 


Werkgever krijgt extra tijd voor administratie spaarloon

Vanaf 2006 kunnen werknemers jaarlijks kiezen aan welke regeling ze willen deelnemen: spaarloon of levensloop. Een werknemer die in 2006 spaarloon heeft gespaard, had tot 1 juli 2006 de mogelijkheid om die keuze te herzien. De stortingen in de spaarloonregeling die in 2006 tot die datum hebben plaatsgevonden, moeten in dat geval vóór 1 juli door de bank zijn teruggestort naar de werkgever.

De staatssecretaris van Financiën heeft nu goedgekeurd dat de werkgever tot en met 30 september (in plaats van tot 1 juli) de tijd heeft om dit terugstorte spaarloon vervolgens als belast loon uit keren aan de werknemer. Hiermee komt hij tegemoet aan signalen uit de praktijk dat het veel werkgevers nog niet is gelukt om de omzetting van spaarloon naar levensloop in de loonadministratie te verwerken.

. . . lees verder op Internet

. . . lees verder op Internet



BTW-heffing voor beroepsopleidingen vervalt op
1 december 2006

Op 1 december 2006 vervalt voor onderwijsinstellingen de mogelijkheid om voor bepaalde beroepsopleidingen te kiezen voor BTW-heffing. Onderwijsinstellingen die beroepsopleidingen verzorgen, hoeven daarvoor geen BTW in rekening te brengen. Voor bepaalde beroepsopleidingen kunnen zij er echter voor kiezen om dat wel te doen. Deze keuzemogelijkheid zou eerst vervallen op 1 juli 2006, maar vervalt uiteindelijk pas op
1 december 2006. Onderwijsinstellingen die BTW in rekening brengen, kunnen zich zo beter voorbereiden op deze verandering.
Maakt u gebruik van de mogelijkheid om beroepsopleidingen onder de BTW-heffing te laten vallen? Dan geldt voor u een overgangsregeling. Als u vóór 1 december 2006 een overeenkomst sluit voor het verzorgen van een beroepsopleiding, dan kunt u hiervoor nog 1 jaar BTW in rekening brengen. Als de overeenkomst doorloopt tot na
1 december 2007, dan kunt u geen BTW meer in rekening brengen voor het deel van de opleiding dat na die datum wordt verzorgd.

. . . lees verder op Internet



Werkgevers kunnen risico gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid tien jaar zelf dragen

Vanaf 2007 kunnen werkgevers ervoor kiezen het WGA-risico (Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten) van hun werknemers tien jaar lang voor eigen rekening te nemen. Dat betekent dat zij de uitkering dan zelf betalen of dit risico verzekeren bij een particuliere verzekeraar. Dit is de kern van een voorstel waarmee de ministerraad heeft ingestemd.
Hoe langer werkgevers zelf het risico dragen, hoe groter de stimulans voor werkgevers en particuliere verzekeraars om gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers weer zo snel en volledig mogelijk aan het werk te krijgen. Werkhervatting levert bij een langere periode meer op aan besparingen op uitkeringen dan bij een kortere periode. Daardoor is het sneller lonend om te investeren in (het aan de slag helpen van) werknemers.

. . . lees verder op Internet



Plafond voor borgstelling mkb verhoogd

Het maximumbedrag waarvoor het midden- en kleinbedrijf in 2006 borgstellingen kan aanvragen, is verhoogd van 452 miljoen naar 602 miljoen euro. De groeiende belangstelling is terug te voeren op het aantrekken van de economie, meer promotie van de regeling en een actievere rol van de banken. Banken zouden zonder de verhoging al ruim voor het einde van 2006 het plafond bereiken voor mkb-kredieten waar de staat zich garant voor stelt. Door de verhoging kunnen meer mkb-bedrijven hun geplande investeringen doen. De borgstellingsregeling voor het mkb is bedoeld voor bedrijven tot honderd werknemers. Als een ondernemer over te weinig middelen beschikt of te weinig zekerheden biedt aan de bank, kan de bank een beroep doen op de overheid om garant te staan. Het borgstellingskrediet bedraagt maximaal 1 miljoen euro per onderneming. De bank moet minstens een gelijk bedrag voor eigen risico beschikbaar stellen. Voor startende en innovatieve bedrijven zijn er extra faciliteiten.

. . . lees verder op Internet



Ouders krijgen hogere overheidsbijdrage voor kosten kinderopvang

Ouders krijgen vanaf 1 januari 2007 een hogere overheidsbijdrage voor de kosten van kinderopvang. De verhoging van de overheidsbijdrage komt in de plaats van de huidige (niet verplichte) werkgeversbijdrage. Dit gebeurt omdat te veel werknemers geen of geen volwaardige bijdrage ontvangen van de werkgever. Voor deze werknemers wordt kinderopvang dus goedkoper.
De kosten van de verhoging (voor werknemers die gebruikmaken van kinderopvang) worden omgeslagen over alle werkgevers, door een wettelijke opslag op het werkgeversdeel van de WW-premie. Het maakt daarbij niet uit in welke mate hun werknemers daadwerkelijk gebruik maken van kinderopvang. De opslag op het werkgeversdeel van de WW-premie is naar schatting 0,28 procent van de loonsom. Daar staat tegenover dat voor werkgevers die nu een regeling hebben de kosten daarvan wegvallen. Voor werkgevers brengt premieopslag geen extra administratieve lasten met zich mee.
Voor ouders van wie de werkgevers nu volwaardig bijdragen, zal deze maatregel financieel geen verschil maken. Voor degenen van wie de werkgever niet of onvoldoende bijdraagt, wordt de kinderopvang goedkoper. De hogere overheidsbijdrage voor de kosten van kinderopvang geldt behalve voor werknemers ook voor zelfstandigen. De kosten van de verhoging voor zelfstandigen worden betaald uit de algemene middelen.

. . . lees verder op Internet

 

 

 

 



Disclaimer

Hoewel bij het samenstellen van de inhoud van deze digitale nieuwsbrief de uiterste zorg is nagestreefd, sluiten de samenstellers van deze digitale nieuwsbrief iedere aansprakelijkheid uit voor onjuistheden, onvolledigheden en eventuele gevolgen van het handelen op grond van informatie die op via deze digitale nieuwsbrief beschikbaar is.